Laat het strooien hoedje zwieren
Op 't kastanjebruin!
Pluk een knopjen in uw tuin;
Dierbre, wij gaan lente vieren
Op 't hooge duin.

Wij gaan juichen, wij gaan danken
Onzen rijken God,
Die uit bloemen weeft ons lot,
Die ons harte vult met klanken
Van het blijdst genot;

Die zijn bloemen in uw gaarde,
In uw ziele strooit,
Hart en hemelen ontplooit;
Die zijn schoone, bloeiende aarde,
En uw voorhoofd tooit!

Die de leliën en rozen
Kleedt met majesteit,
Zonneglans en heerlijkheid;
Die ons, kinderen, zorgeloozen,
Onzen wensch bereidt.

Boven eike- en lindekruinen
Aêmt de borst zoo vrij,
Laat ons danken vroom en blij;
Op de hooge, blonde duinen,
Eenzaam knielen wij!

Lachen wij den hemel tegen,
Die ons tegenlacht
Met zijn vrede, met zijn pracht,
Met nog ruimer, rijker zegen
Dan ons hart zich dacht!

Ja! Ik wil mijn vroolijke oogen
Naar mijn Schepper slaan!
'k Weet, Hij, die zoo menig traan
In zijn goedheid af wou drogen,
Zal mijn lach verstaan!

Op, ter hooge tempelzalen!
Door geen mensch bespied,
Wil ik juichen: ik geniet!
En aan Hem den dank betalen,
Die mijn hart doorziet!

Laat het strooien hoedje zwieren
Op 't kastanjebruin!
Pluk een knopje in uw tuin;
Lieve, wij gaan lente vieren
Op het hooge duin!

(P. A. de Génestet 1829 - 1861)