Mijn voeten gaan door sprookjesland,
Want, Vader kleurt de bomen goud en rood.
Hij strooit met gulle Schepperhand,
Vanuit zijn hemelzalen,
Het gele en het rode blad
Als feestversiering rond mijn pad.
Die duizend blaren, klein en groot,
Ze vormen samen een kleinood
Van goud en bloedkoralen.

‘k Ervaar die weelde rond mijn voet
als regelrechte hemelgroet,
’t is of de poorten van Gods Stad
heel even opengaan, zodat
ik van heel ver uit hoge lichte zalen
de lampen al zie stralen…..

Hoe zal het zijn, als straks, altijd
Gods poorten openstaan
En wij, van elk verdriet bevrijd
Over zijn gouden straten gaan.

Coosje van Campen